Inloggen ITSME

Gebruikersnaam:

Wachtwoord:

Onze Blik op Inkoop en Aanbestedingsrecht

Impressie ITS » ITSVIEW » Onderzoeksplicht van de Aanbestedende dienst

Onderzoeksplicht van de Aanbestedende dienst



Onderzoeksplicht van de Aanbestedende dienst

Heeft de Aanbestedende dienst een onderzoeksplicht ?



Ook in het geval van twijfel over de juistheid van een aanbieding mag de aanbestedende dienst genoegen nemen met schriftelijke verklaringen van de inschrijver zelf.


Een gemeente heeft een Europese aanbesteding leerlingenvervoer gevoerd met als gunningcriteria Prijs en Kwaliteit. Als één van de subonderdelen van het gunningcriterium kwaliteit heeft de gemeente inschrijvers verzocht een vervoerplan in te dienen.

Conform aan inschrijvers vooraf bekend gemaakte criteria en uitgangspunten heeft een beoordelingscommissie van de gemeente de aangeboden vervoerplannen in onderlinge vergelijking beoordeeld en heeft zij hieraan punten toegekend. Op basis van de resultaten van de beoordeling van de ontvangen aanbiedingen, heeft de gemeente een voorlopig gunningbesluit genomen en de verschillende inschrijvers van dit besluit schriftelijk op de hoogte gebracht. De afgewezen inschrijvers ontvingen inzage in hun scores afgezet tegen de scores van de winnende inschrijver en een motivering van de redenen van de afwijzing, de kennelijke voordelen van de winnende aanbieding en de naam van de winnende inschrijver. Eén van de inschrijvers wenst te vernemen in een nadere toelichting op welke wijze de beoordelingscommissie de reistijd als aangegeven door de verschillende inschrijvers in de respectievelijke  vervoerplannen heeft getoetst. Hij wil met name weten of de commissie de vervoerplannen ter controle daadwerkelijk heeft voorgereden of uitsluitend een onderlinge vergelijking heeft gemaakt op papier.

In het onderstaande wordt de vraag beantwoord of aanbestedende diensten aanbiedingen dienen te beoordelen op grond van de offertes of op grond van de
realiteit en nader onderzoek.

In rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie is bepaald dat uit het transparantiebeginsel
volgt dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze, opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria welke op de betrokken opdracht van toepassing zijn.

Volgens de rechtspraak voldoet een aanbestedende dienst aan het transparantiebeginsel wanneer zij voor de beoordeling van aanbiedingen in de aanbesteding afgaat op hetgeen op papier is aangeboden zoals zelf gedane opgaven en afgegeven eigen verklaringen van inschrijvers. Ook in het geval van twijfel over de juistheid van een aanbieding, aangekaart door een concurrerende inschrijver, mag de aanbestedende dienst genoegen nemen met schriftelijke verklaringen van de inschrijver zelf en acht het Hof Den Haag daadwerkelijke controle overbodig. Het is de verantwoordelijkheid van de inschrijver dat zij de juiste informatie verstrekt, en dat deze informatie een geldige inschrijving oplevert.

In de praktijk houden afgewezen inschrijvers nauwlettend in de gaten of de “winnaar” van een aanbesteding de opdracht ook daadwerkelijk conform de gestelde eisen en conform zijn aanbieding uitvoert. Potentiële inschrijvers vragen de aanbestedende dienst voorafgaand aan de daadwerkelijke inschrijving om verduidelijking van de gestelde eisen en signaleren onduidelijke procedures. Afgewezen inschrijvers gaan na waarom de ene partij de aanbesteding wint en de andere niet, toetsen de redelijkheid van de geoffreerde prijzen door concurrenten. Het bewandelen van de juridische weg wordt niet geschuwd om de gewenste duidelijkheid te verkrijgen.

Het is de verantwoordelijkheid van de inschrijver dat zij de juiste informatie verstrekt, en dat deze informatie een geldige inschrijving oplevert.
Indien de overeenkomst eenmaal is gesloten, kan volgens het Hof Amsterdam een belanghebbende in Kort Geding of in Hoger Beroep een verbod tot (verdere) uitvoering van de overeenkomst vorderen dan wel opzegging op een wettelijke of contractuele grond als dat noodzakelijk is om de beweerde inbreuk ongedaan te maken of te voorkomen dat de betrokken belangen verder worden geschaad.

Deze vordering dient binnen zes maanden na ondertekening van de betwiste overeenkomst te worden ingesteld, onder bepaalde voorwaarden binnen 30
kalenderdagen.

Conclusie
Een aanbestedende dienst mag in het kader van de beoordeling van ontvangen aanbiedingen dus vertrouwen op de informatie die inschrijvers op papier hebben aangeboden, ook bij twijfel over de juistheid van deze gegevens. Toetsing op grond van de realiteit en nader onderzoek vindt achteraf plaats door belanghebbenden uit de markt. Hierdoor wordt de aanbestedende dienst geconfronteerd met een langdurige periode van onzekerheid ten aanzien van de vernietigbaarheid van de overeenkomst.